Posts tonen met het label Reizen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Reizen. Alle posts tonen

zaterdag 19 maart 2016

Flipperende dolfijnen en een strijdvaardige oma

Dit wordt ‘Bericht uit Liberia’ nummer 127. Verreweg de meeste berichten gingen over serieuze zaken. Over corruptie, slecht onderwijs, dolende parlementariërs en een in het buitenland zwaar overschatte president. Over Charles Taylor, Ebola en onopgeloste politieke (?) moorden. Maar ook over allerhande activiteiten die de juiste ontwikkeling op gang moeten brengen. Actiegroepen ondersteunen om de autoriteiten onder druk te zetten eindelijk eens te ‘leveren’, samenwerken met goedwillende politici om hun rol als volksvertegenwoordiger geloofwaardiger te vervullen, het basisonderwijs in Monrovia proberen op te krikken door kinderen, vaak voor het eerst in hun leven, van een boekje, wereldkaart of woordspelletje laten genieten.


Luchtige zaken

Af en toe ging het blog ook over luchtigere zaken. Een country and western band die een live concert gaf in de populaire (en enige) strandtent in Monrovia, Golden Beach, het eerste Kriterion Filmfestival en driedaagse autotochten over rode zandwegen diep het binnenland in.  Soms een uitstapje naar het verre Nederland: gebeurtenissen die, afgezet tegen wat zich zoal voordoet in Liberia, tot de categorie luchtige zaken gerekend moeten worden. Zoals strubbelingen in GroenLinks (affaire Sap) of verkiezingen. Wat ik nadrukkelijk daar niet toe reken is… Feyenoord. Sinds ik via een schotelantenne FoxSport Afrika kan ontvangen, heb ik de laatste maanden alle wedstrijden van mijn club, voorzien van Portugees commentaar, kunnen zien. Al die verschrikkelijke, zeven nederlagen op rij, heb ik lijdzaam moeten ondergaan. Ja, ik ken het cliché, Feyenoord-supporter ben je niet voor je plezier, maar dit clubrecord had nooit gevestigd mogen worden. Aanvankelijk had het magisch denken in mij postgevat dat de schotelantenne in combinatie met dat zo fraai uitgesproken Portugese commentaar, de reden van de misère was, maar zie: ineens begon de zegetocht die nu al vier wedstrijden duurt!


Captain Paul

Maar af en toe heeft ook Liberia zo zijn lichtvoetigheden. Een paar weken geleden hebben we met vier vrienden (een bont gezelschap van twee Nepalezen, een Amerikaan, Pakistaanse en twee Nederlanders) een boottocht met captain Paul op de oceaan gemaakt om dolfijnen te zien en wellicht een visje te vangen. Captain Paul is een Amerikaan die in de regentijd in de VS woont, maar in de droge tijd vanuit Monrovia boottochten op de Atlantische Oceaan aanbiedt. Het was het leukste wat we in Liberia hebben meegemaakt. Alleen het begin was al vertederend. Paul heeft een boothuis, annex kantoor, met steiger aan de St. Paul’s River, die in de oceaan uitmondt. Er hing een superrelaxed hippiesfeer met wat oude banken, oudere jongeren in kleurige T-shirts, en netten knopende Liberianen. Met zijn vrij snelle motorboot, begeleid door Beach Boys en Creedence Clearwater Revival, voeren we een uur of vijf op de oceaan. Zon, helblauwe lucht en een rustige zee. 


Flipperende dolfijnen

Dolfijnen worden uiteraard niet van tevoren gegarandeerd. Het is geen Harderwijk. Maar na ruim twee uur varen zagen we in de verte witte, verspreide golfjes die volgens het kennersoog van Paul op een school dolfijnen duidden. En inderdaad, na nog een half uur voeren we tussen de tientallen snel zwemmende dolfijnen die er plezier in schepten om rakelings langs de boeg van de boot op en neer te flipperen. En dat herhaalde zich een paar maal. Intussen hadden Paul en zijn Griekse scheepsmaat vier geavanceerde hengels uitgeworpen. De laatste keer dat ik gevist heb moet in 1968 of zo geweest zijn met een bamboehengeltje in de trekvaart, tussen Naarden en Muiderberg, overigens zonder ooit iets te vangen. Ik bleef dus op gepaste afstand kijken hoe mijn vrienden en het  Grieks-Amerikaanse duo een ‘coalition of the willing’ vormden en  enorme, ook bloedige gevechten moesten leveren om twee geelvin tonijnen van ieder rond de 30 kg aan boord te hijsen. Na met zijn allen nog even een duik in de oceaan te hebben genomen, voeren we terug naar het belegen hippieoord, waar behendige Liberianen de beide vissen schoonmaakten. Met zo’n 30 kilo verse vis gingen we naar huis. Acht kilo leverden we af bij de wel zeer aardige Vietnamese eigenaar van Golden Beach, waarvoor we in ruil een paar dagen later heerlijk Vietnamees hebben gegeten. 
(Een week na dit plezierige uitje verongelukte de Liberiaanse schoonzoon van Paul in de donkere, tropische nacht. Hij reed met zijn auto tegen een stilstaande, onverlichte vrachtauto aan. Wie op zijn Facebookpagina  Pirates of the Liberian Sea bekijkt ziet zijn verdrietige mededeling. Als je naar beneden scrolt op zijn Facebook, vind je op 28 februari een tragi-komische time laps van onze visvangst.)  


Oma warrior

Een week later gingen we, met dezelfde Nepalese vrienden, met Sam naar zijn ‘boerderij’, zo’n 80 km landinwaarts, midden in een tropisch regenwoud. Sam is een van de vier chauffeurs die NDI in Liberia heeft. Hij had me al een paar keer over zijn boerderij verteld, en die wilden we weleens zien. Onderweg vertelde hij dat het stuk oerwoud, want dat bleek het te zijn, al zes generaties in bezit is van zijn familie. Zijn over-over-over grootmoeder was een ‘warrior’ in het grensgebied met Guinea. Om de vrede ‘af te kopen’ kreeg zij, net al vele anderen, een stuk grond om te bebouwen. (In dat grensgebied is vroeger menig stammenstrijd gevoerd. De in Nederland woonachtige Liberiaanse schrijver Vamba Sherif heeft daar onlangs de prachtige roman ‘De zwarte Napoleon’ over geschreven – Uitgeverij de Geus.)


‘Big man’ Sam

De boerderij lag bij een dorpje, waar we stopten. Sam was hier de ‘big man’ uit de grote stad, die zakken rijst mee nam om de paar ‘managers’ die voor hem werkte, te betalen. Het dorp bestond uit een twintigtal vrij nieuwe, lemen huisjes. Tijdens de burgeroorlog was alles vernield, vandaar. We bezochten het dorpsschooltje. Drie klassen voor 175 kinderen uit de omtrek. De onderwijzer, tevens de ‘pastor’, vertelde ons over zijn moeizame strijd. De kinderen moesten hun eigen stoel meenemen en er was een waterput in aanbouw. In de kale lokaaltjes was wel een schoolbord, waar leerstof stond opgeschreven, die de kinderen uit het hoofd moesten leren. Eén stond volgeschreven met rekensommen, één met staatsinrichting en de derde met een verhaaltje dat als moraal had dat meisjes naar school moeten en niet thuisgehouden moeten worden om water te halen en andere huishoudelijke klussen te doen. Dit type kinderarbeid is een hardnekkig verschijnsel in Liberia.

Staatsinrichting...
Vrouw aangeboden

Daarna togen we in een optochtje (er hadden zich inmiddels een tiental dorpelingen bij ons aangesloten) naar Sam zijn ‘boerderij’, die we na 10 minuten bereikten. Een stuk oerwoud met een klein perceeltje jonge rubberbomen. Sam is van plan ananassen en cassave te planten, maar dat is er nog niet van gekomen. Zijn twee personeelsleden waren in een kuil aan het werk om zand af te graven dat werd gebruikt om lemen ‘bak’stenen van te maken, die hij kon verkopen.  Als opslag was er een houten schuur, waar Sam soms overnachtte. Hier verorberden we de uit Monrovia meegebrachte lunch.  Daarna liepen we terug naar het dorp, waar een vrouw, dronken of stoned, zich aanbood om als mijn echtgenoot verder door het leven te gaan. Ik moest haar teleurstellen. Ik heb al een vrouw.

Sam in gesprek met zijn manager
Houtskool

We bezochten ook nog een zwartgeblakerd veldje waar de houtvoorraad werd verbrand om daar vervolgens houtskool van te maken. Houtskool is nog steeds dé brandstof in de Liberiaanse keukens.  Op alle uitvalswegen van Monrovia, tot ver landinwaarts, wordt houtskool in grote, grijze zakken te koop aangeboden. Sam betaalde de familie die de houtskool verwerkte met een stapel Liberiaanse dollars. Het veld is niet van hem, maar hij koopt de houtskool op, en vervoert het naar Monrovia, om het in de stad te verkopen.

Stilstaand leven

Op de terugweg praatten we na over wat we gezien hebben. Waarom in zo’n dorpje, net als al die vele andere honderden dorpen die in het binnenland verspreid liggen, het leven lijkt stil te staan. Mensen wonen en leven er op dezelfde wijze als 100 of 200 jaar geleden. Sam vertelt dat er weinig gemeenschapszin is. Als een dorpeling een veldje bebouwt, komen de anderen vragen of ze mee kunnen eten van de oogst. Als je goed kijkt in zo’n dorp valt op dat er jonge kinderen en oudere mensen zijn. De groep tussen 18 en 35 jaar is praktisch afwezig. Die trekken naar de grote stad in de hoop op een beter leven. Als ze een baan vinden druppelt er wat geld door naar achtergebleven familie in het dorp. Sommige noemen het een pastoraal leven, maar het is bittere armoe. Niet voor niets staat Liberia op de 150ste plaats (van de 157 landen) op de deze week verschenen ‘World Hapiness Index’ van de Verenigde Naties.


maandag 25 januari 2016

Fietsen is voor armoedzaaiers

Fietsen in Liberia is een wonderlijke aangelegenheid. Liberianen fietsen nauwelijks. Je ziet nog weleens een kind op een fiets en heel soms een volwassene. Verder zijn er een paar expats die zich op een tweewieler wagen. Waaronder wij. In de loop van 2012, toen wij hier langzaam maar zeker ingeburgerd raakten, togen we naar de mini-tweedehands fietsenmarkt in het centrum van de stad. Uit het aanbod van pakweg twintig fietsen kozen we de twee beste. Kettingbladen en wielen hadden weinig speling, de remmen voldeden, evenals de versnelling. Made in China uiteraard, maar nu, ruim drie jaar later, rijden ze nog steeds.


Good excercise!

Het meest wonderlijke aan het fietsen is dat je regelmatig commentaar krijgt. ‘Good excercise!’ is een veel gehoorde kreet, die vergezeld gaat met een glimlach. Veel Liberianen zien het als een soort trimmen. Sommigen lopen hard, anderen fietsen. Maar ook krijg je de, vaak wat minder vriendelijk geuite, uitnodiging om de fiets maar af te staan, dan wel weg te geven als je Liberia weer verlaat. Verder zijn er ook boze blikken. Vooral van taxi’s (auto’s en motorfietsen) die laten merken niet te begrijpen hoe iemand het in zijn hoofd haalt te gaan fietsen in plaats van een taxi te nemen.

Files, geld en regenpakken

Naast verbazingwekkend is er ook een ergerlijke kant aan het fietsen in Liberia. Of beter gezegd het niet-fietsen van de overgrote meerderheid der Liberianen (en expats). Natuurlijk, het is een veel gehoord ‘algemeen bekend feit’ dat in (met name Afrikaanse) ontwikkelingslanden fietsen wordt gezien als een armelui's bezigheid. Hoewel het overgrote deel van de bevolking een schamel inkomen heeft, besteedt ze een deel van dat weinige geld liever om aan te schuiven in een overbevolkte taxi of plaats te nemen achterop een motorfiets dan aan het kopen van een tweedehands fiets. Hoe vaak wij onze collega’s en Liberiaanse vrienden ook voorgerekend hebben dat de fiets veel voordeliger (en gezonder) is dan de taxi: men wil er niet aan. En het is niet alleen voordeliger. Liberianen die een baan in het centrum hebben en bijv. 8 kilometer van hun werk wonen, moeten ’s morgens en ’s avond twee tot drie uur in de file staan op de enige weg die het centrum ontsluit in noordelijke en zuidelijke richting. Om nog maar te zwijgen van de enorme luchtvervuiling, want Liberia is, zoals vele Afrikaanse landen, het afvoerputje van oude, afgekeurde auto's uit Europa.
Eerlijk gezegd zijn er ook wel verzachtende omstandigheden. In het regenseizoen kan het zó met bakken uit de lucht vallen dat daar geen regenpak tegen opgewassen is. Het openbare leven valt dan voor een tijdje stil. Maar goed, dat is uiteindelijk toch maar op een beperkt aantal dagen van het jaar het geval. Een andere tegenwerping die veel wordt gehoord is de prijs van een tweedehands fiets (rond de 70 dollar) die toch al snel de helft van het gemiddelde maandloon beslaat. Dat argument snijdt zeker hout, maar vergelijkbaar met andere grote uitgaven die ook gedaan moeten worden (huur, schoolgeld kinderen) is de fiets een investering die zich méér dan terugverdient. Uitgerekend dat aspect is moeilijk tussen de oren te krijgen.

De twintig autobussen uit Istanbul worden overhandigd in Monrovia
Neem de bus!

En de bus dan? Sinds kort rijden er in Monrovia twintig rode stadsbussen rond die geschonken zijn door Istanbul. Een dienstregeling of duidelijke route heb ik niet kunnen ontdekken. Evenmin is duidelijk hoe veel een kaartje kost. De chauffeur wil geld hebben. Maar ook zijn als conducteur optredende handlanger die de mensen erin laat. En de tarieven schijnen nogal eens te verschillen, afhankelijk van het humeur of de financiële situatie waar de chauffeur of conducteur zich in bevindt.
Monrovia slipt langzaam maar zeker dicht. De enorme files die elke dag de stad in en uit gaan, zorgen nog niet voor een omslag in het denken. De paar verkeerslichten helpen geen zier. Voor het door rood heen rijden is bij wijze van spreken nog nooit iemand bekeurd. Sommige verkeerslichten staan na de kruising en er zijn links- of rechtsaf pijlen, terwijl er geen zijweg is. De parkeerdruk in het centrum heeft ertoe geleid dat er betaald parkeren is ingevoerd. Maar het tarief is, overigens niet onbegrijpelijk, zo laag dat het geen rem vormt.
Naast de taxi’s en personenauto’s is ook het aantal auto’s van de Verenigde Naties, ontwikkelings-NGOs en regeringsburelen gigantisch. De vele expats en Liberiaanse bonzen die zich hierin laten rondrijden, meestal nodeloos door vier wielen aangedreven, zouden zich ook weleens mogen afvragen of hun mobiliteit niet was duurzamer geregeld kan worden.



Wellicht dat het voorbeeld uit Ghana inspirerend werkt voor enige ondernemende Liberianen. Op kleine schaal worden hier fietsen gemaakt van bamboo. Nu kun je in Nederland voor heel veel geld ook dit soort fietsen kopen, maar het project in Ghana heeft naast een duurzame, ook een sociale dimensie. Het schept werkgelegenheid voor jongeren en gehandicapten en het bedrijfje doneert fietsen aan communities om zo het fietsen populairder te maken. Changing the face of transport is het motto dat ook in Liberia méér dan nodig is.

zondag 16 augustus 2015

Tanzania: de verkwanselde erfenis van Nyerere

Dit Bericht uit Liberia gaat over Tanzania waar ik de afgelopen vier weken met vrouw Jacq en dochter Layla op vakantie ben geweest. Het was een tamelijk intensieve, maar indrukwekkende reis. We begonnen met een heuse 4,5 daagse wild safari (Lake Manyara, Ngorongoro, Serengeti) van Arusha naar Lake Victoria, verbleven op het Ukerewe-eiland, namen de veerboot naar Mwanza, boekten de trein maar waren genoodzaakt (‘the coach is sick’) met het vliegtuig naar Dar Es Salaam te gaan, met de boot naar Zanzibar, terug naar Dar Es Salaam, met de bus naar Lushoto in het Usambara-gebergte en vandaar weer naar Arusha. Pff, 13 slaapplekken in 27 dagen.

The coach is sick

Het is verleidelijk om Tanzania met Liberia te vergelijken. Het is tenslotte Afrika, nietwaar? Maar kun je Nederland met, pakweg, de Oekraïne vergelijken? Het is tenslotte Europa, nietwaar? Een hachelijke onderneming, en ik zal het derhalve niet doen. Al hadden we tijdens de reis natuurlijk wel de neiging, temeer daar veel Tanzanianen in Liberia geïnteresseerd waren, toen ze hoorden dat we er woonden en werkten. Zoals te verwachten wilden ze weten hoe het met de Ebola ging. Vooral mensen die werkzaam waren in de toeristensector, want de Ebola in West-Afrika heeft geleid tot veel annuleringen van geboekte reizen naar de natuurparken en Zanzibar, vooral door Indiërs, Japanners en Chinezen, die Tanzania als vakantieland steeds meer beginnen te ontdekken. Het toerisme in Tanzania is vooral afhankelijk van vooraf geboekte groepsreizen en de toeristische infrastructuur is daar op ingesteld. Dat Tanzania hemelsbreed zo’n 5000 km van Liberia verwijderd is, vergelijkbaar met de afstand naar pakweg Madrid, doet er blijkbaar niet toe. Afrika is tenslotte Afrika, nietwaar?

Station in Mwanza
Het individueel reizen dat wij deden, zelf de reismogelijkheden ter plekke verkennen, is nog niet echt ingeburgerd. Je moet er  de tijd voor uittrekken en flexibel zijn, zoals op die zondagmiddag toen we op het perron van het station in Mwanza stonden met de ticket voor een couchette in de hand voor de 40-urige treinreis naar Dar Es Salaam en te horen kregen dat het rijtuig ‘ziek’ was. Dat was erg jammer want hoewel vele Tanzanianen ons voor gek verklaarden om met de trein te gaan, hadden we wel zin om door het boeiende landschap te boemelen met een gemiddelde snelheid van 30-40 km per uur.

Onverstoorbare olifantenfamilies

De wild safari, aan het begin van de reis, hadden we overigens wel vooruit geboekt. Alles afwegende was dat toch het efficiëntst. Het was indrukwekkender dan ik had verwacht. Van tevoren hoor je wel over een stoet van jeeps die zich door zo’n wildpark begeeft, waar de wilde beesten dierentuin-lui wat verveeld naar zitten te kijken. Maar dat pakte toch anders uit. Met name de aan elkaar grenzende Ngorongoro en Serengeti zijn uitgestrekte gebieden van samen 24.000 km2  (60% van Nederland), uiteraard niet omheind, en waar al die olifanten, giraffes, zebra’s, nijlpaarden, neushoorns, leeuwen, buffels, gnoes, krokodillen, cheeta’s, luipaarden, struisvogels, apen, gieren enz. hun eigen leven leiden. 


Verreweg de meeste tijd reden we met onze onvolprezen gids en chauffeur Jackson, door dit eindeloze, stille landschap, speurend naar al die beesten die op de meest onverwachte momenten in soms indrukwekkende aantallen opdoken. De onverstoorbare olifantenfamilies, de luie leeuwen die het vuile werk door de vrouwtjes lieten opknappen, de ondanks hun onmogelijke postuur galant voortschrijdende giraffes (mijn lievelingsdier): het was een lust voor het oog om al deze producten van de evolutie in het geconserveerde wild te zien. Gelukkig zagen we ook nog het staartje van de migratie: duizenden zebra’s en gnoes die in een lange sliert door het landschap trekken, op weg naar gebieden met voedsel.
Deze wildparken maken deel uit van een enorm steppe-gebied waar kuddes geiten en koeien al eeuwenlang worden gehoed door het nomadische Maasai-volk, dat een icoon is geworden van het tribale Tanzania. Zij wonen in dorpjes met van takken gemaakte hutten, die snel gebouwd zijn en weer worden verlaten als de kuddes nieuwe graasgronden nodig hebben. Je herkent de Maasai onmiddellijk: vaak rijzige gestaltes in  rode gewaden. Ze zijn bekend om hun sprongkracht en welkomst rituelen die voor 50 dollar, in ons geval nogal plichtmatig, aan passerende  toeristen in hun dorpjes worden getoond.

Lake Victoria
Ecologisch rampgebied

Het illustere Lake Victoria, het grootste meer van Afrika en de bron van de Nijl, wordt omsloten door Kenya, Uganda en Tanzania en elk land heeft een miljoenen stad op de oever, die onbeperkt loost op het meer. De introductie van de enorm grote nijlbaars door de (buitenlandse) grootschalige visserij heeft de lokale visserij praktisch de das omgedaan en de diversiteit gedood. Het opleuken van het meer met de, al eveneens geïmporteerde, waterhyacint, heeft de waterkwaliteit enorm aangetast. Al deze door de mens ingezette ontwikkelingen maken van het meer een ecologisch rampgebied, wat je er niet onmiddellijk aan af ziet als je, zoals wij, in een hotel op het eiland Ukerewe aan de oever van het meer vertoeft. Dat eiland wordt nauwelijks door toeristen bezocht. Het ligt buiten de gebaande route wild safari-Zanzibar, zodat we de enige wazungu (‘witten’) op het eiland waren.
De ramp die zich in het Lake Victoria voltrekt is hartverscheurend vastgelegd in de documentaire Darwin’s Nightmare door de Oostenrijker Hubert Sauper.

Volksrepubliek Zanzibar

Zanzibar is met de wildparken de toeristische topattractie van Tanzania. Het eiland heeft een intrigerende geschiedenis, is sterk beïnvloed door eeuwenlange immigratie en handel vanuit het Midden-Oosten en heeft een overwegend islamitische bevolking. Het eiland is na de dekolonisatie (het was een Brits protectoraat) in het begin van de jaren ’60 korte tijd zelfstandig geweest, na een bloedige revolutie die in 1964 kortstondig leidde tot de Volksrepubliek Zanzibar. Op het vaste land was onder leiding van de charismatische Julius Neyerere in 1961 de onafhankelijke republiek Tanganyika uitgeroepen. Door slim handelen van Nyerere werd in 1964 de verenigde republiek Tanzania uitgeroepen. Zanzibar behield echter een zekere autonome status met een eigen parlement en president. Als je van de veerboot afstapt in Stone Town, de hoofdplaats van Zanzibar, lijk je in een ander land aan te komen: er is een douane en je krijgt een stempel in je paspoort. Stone Town is ongetwijfeld de leukste stad van Tanzania. Het oudste deel bestaat uit een wirwar van stegen en straten, vol straathandel en ambachtelijke bedrijfjes. De magische klank van het woord Zanzibar wordt geheel bewaarheid door de eindeloos witte palmstranden die het eiland omzomen. Koraalriffen, eilandje met reuze schildpadden, zandbanken en opzwemmen met dolfijnen: er is van alles te doen op het eiland, dat ook bekend is vanwege de vele specerijen.


 Duitse elite

Van Zanzibar reisden we naar Lushoto, een backpackersoord in het Usambara gebergte dat in het noorden tegen de grens met Kenya aan ligt. Het ademt hier en daar nog een Duitse sfeer –in de architectuur- aangezien in de periode dat  de Duitsers Tanganyika koloniseerde (zo tussen 1888 en 1918) de Duitse elite in de bergen de hitte van Dar Es Salaam ontvluchtte. Prins Claus schijnt in Lushoto, als zoon van een Duitse bedrijfsleider op een koffie- en sisalplantage, de gelukkigste tijd van zijn leven te hebben doorgebracht. Het was deze periode die hem inspireerde om zijn actieve leven, waar mogelijk, te wijden aan het belang van ontwikkelingssamenwerking. Heel anders dan zijn notoire schoonvader, die weliswaar ook verzot was op Afrika, maar dan vooral om het wild dat er omgelegd kon worden.

Muller's Mountain Lodge in de omgeving van Lushoto
Be Kind & Recycle

We eindigden waar we begonnen: in Arusha waar we een dag doorbrachten met Amani Mhinda en zijn familie. Amani is een deskundige op het gebied van een verantwoord beheer van de natuurlijke hulpbronnen en is al een paar keer voor NDI in Liberia geweest om workshops te geven. Wij bezochten met hen in Arusha een hartstikke goed  initiatief: Shanga, een sociale werkplaats waar gehandicapten op ambachtelijke wijze lappen weefden, glas bliezen, sierraden maakten enz. waarbij hergebruik van stoffen voorop stond. Onder het motto ‘Be Kind &  Recycle’ lag het complex aan de groene rand van Arusha, naast een koffieplantage. Er was een mooie tuin met een terras, waar de apen rondrenden. En uiteraard was er een winkel waar allerlei zelfgemaakte producten gekocht konden worden.


Vader des vaderlands

Arusha is ook de plek waar Julius Nyerere in 1967 zijn beroemde toespraak hield (later bekend geworden als de Arusha Verklaring), waarin hij zijn plannen voor een Afrikaans-socialistisch Tanzania ontvouwde. ‘Ontwikkeling van een land wordt gemaakt door mensen en niet door geld. Geld, en de welvaart die het brengt, is het resultaat en niet de bron van ontwikkeling. En daarvoor moet gewerkt worden.’ Om dat werken te organiseren zette Nyerere in op het massaal stichten van Ujamaa-dorpen, communes waar mensen gezamenlijk zouden werken om de (landbouw) productie te verhogen. Aanvankelijk op vrijwillige basis, maar toen na enige jaren slechts 20% van de bevolking gehoor had gegeven aan de oproep, werd deze vorm van resettlement verplicht. Dat leidde tot gedwongen verhuizingen en uiteindelijk tot een mislukking van het experiment.
Nyerere wordt echter nog steeds vereerd als de vader des vaderlands. Hij was wars van elke zelfverrijking, legde de nadruk op onderwijs als belangrijkste voorwaarde voor ontwikkeling, en hamerde op een geweldloos samenleven van de ruim 130 stammen die het land bevolken. Dat laatste is wonderwel gelukt en de vreedzaamheid die je in het land voelt, wordt door elke Tanzaniaan die je spreekt geprezen.

Muurschildering in Arusha
Nyerere bracht ook op wat menig Afrikaanse president weigert: in 1985 stelde hij zich niet herkiesbaar. Algemeen wordt betreurd dat zijn erfenis sindsdien stelselmatig is verkwanseld, al is zijn partij CCM nog steeds, onafgebroken, aan de macht. In oktober kan dat echter veranderen. Dan zijn er verkiezingen en wie je ook spreekt, iedereen hoopt op verandering. Na ruim vijftig jaar door dezelfde partij te zijn geregeerd, waarbij nepotisme en corruptie de overhand hebben gekregen, is het tijd voor een wisseling van de macht. De oppositie heeft zich verenigd onder aanvoering van een voormalige minister-president, die de CCM heeft verruild voor deze nieuwe coalitie. De huidige president heeft er twee termijnen op zitten, waarin hij zijn zoon  miljonair maakte door hem licenties voor benzinepompen te geven. De CCM-kandidaat voor het presidentschap schijnt van onbesproken gedrag te zijn. De kandidaat van de oppositie, de voormalige premier, is dat echter niet.
En zo laat  de ironie van de geschiedenis van zich spreken: de corrupte CCM, geleid door een ‘schone’ presidentskandidaat moet het opnemen tegen een verzamelde oppositie die geleid wordt door een ex-premier die miljonair is geworden in zijn CCM-jaren.

Nyerere Museum
Museum en mausoleum

In het dorp Butiama is van al dat politieke gedoe weinig te merken, als wij het Julius Neyerere museum bezoeken en het nabijgelegen mausoleum. In dit dorp, vlak bij het Victoriameer, is de jonge Nyerere opgegroeid. Het weinig bezochte museum herbergt een groot aantal persoonlijke bezittingen, foto’s en andere herinneringen aan het leven van Nyerere. Over de mislukking van het Ujaama-experiment wordt niet gerept. Wel is er veel aandacht voor zijn leiderschap tijdens de oorlog (1978-1979) met het Uganda van dictator Idi Amin, waarbij een invasie succesvol werd afgeslagen. Hij wenste na zijn dood in 1999 op eenvoudige wijze begraven worden. Maar deze wens werd niet gehonoreerd. Het mausoleum, hoewel zeker niet protserig, ligt in een fraaie omgeving. Het bevat een tweede, nog onbezet graf: de weduwe van Nyerere leeft nog steeds. In het huis bij het mausoleum, waar Nyerere na zijn aftreden regelmatig verbleef, zit een groep studenten van de universiteit van Edinburgh op een terras met uitzicht op de heuvels te lezen en te schrijven. De Summer school van deze universiteit, waar Nyerere in zijn jonge jaren geschiedenis en economie studeerde, houdt daarmee de plek in ere van de man die de rol van goed onderwijs zo benadrukte. 

zaterdag 30 mei 2015

Het paleis van president Tubman

Soms stuit je in Liberia op een verrassing waarvan je denkt: maak daar toch meer werk van, dan heb je er een attractie bij, waarvan er niet erg veel zijn in het land. Leuk om te bezoeken voor Liberianen, expats en de weinige toeristen die het land mag begroeten.
Over de potentie van Liberia, met zijn (buiten de hoofdstad Monrovia) smetteloze witte zandstranden en uitgestrekte tropische regenwouden om uit te groeien tot, in eerste instantie, een trekpleister voor avontuurlijk ingestelde toeristen heb ik al eerder geschreven in het zomernummer van het GroenLinkse tijdschrift De Helling (‘Toerisme als Armoedebestrijding’).

The House at Sugar Beach
Gebouwde herinneringen

Er zijn natuurlijk historische, culturele bezienswaardigheden die zowel herinneren aan de cultuur van de autochtone bevolking als aan die van de vrijgemaakte slaven, en hun nakomelingen, die vanaf het begin van de 19de vanuit de VS naar Liberia zijn gekomen. Het enige museum in Monrovia heeft een verzameling houten maskers, waar Liberia befaamd voor is. In en rond Bensonville liggen houten woningen met veranda’s die herinneren aan de Amerikaanse settlers. In Paynesville staat aan het strand het huis van de familie Cooper, waar Helene Cooper in ‘ The House at Sugar Beach’ zo hartverscheurend over heeft geschreven. Harper, in het verre zuidoosten op de grens met Ivoorkust, heeft karakteristieke architectuur die herinnert aan de tijd dat William Tubman president was en zijn geboorteplaats verwende. Maar al deze (gebouwde) herinneringen zijn (zwaar) beschadigd tijdens de burgeroorlog, onbeschreven en nauwelijks toegankelijk.
Als mede-eigenaar van Odyssee Reisgidsen heb ik –uiteraard- de mogelijkheden verkend om een reisgids over Liberia te publiceren. We zijn in zee gegaan met een Liberiaanse journalist, maar de Ebola-uitbraak heeft dit project ernstig vertraagd.

Hotel Coo Coo Nest
Coo Coo Nest

Nu dan die verrassing.  Halverwege Monrovia en Gbarnga passeer je in de buurt van Totota in een lieflijke, beboste omgeving de plek waar president Tubman zijn buitenhuis had. Het ligt van de weg af op een heuveltje in een bos. De ingang wordt gesierd door twee bogen: van cement gemaakte enorm grote olifant slagtanden. Aan de weg ligt het Coo Coo café, waar zelden iets te koop is, en een hotel, Coo Coo Nest, dat nog steeds gasten lijkt te verwelkomen. Ik ben er zeker al twintig keer langs gekomen, had geruchten gehoord over dat buitenhuis, maar was nooit op onderzoek uitgegaan. Mijn Liberiaanse collega’s waarmee ik reisde, wisten niets van de Tubman-geschiedenis van deze plek. Verleden week, terugkerend vanuit het zuidoosten (zie mijn blog van vorige week), reden we onder de olifant slagtanden het terrein op. Een alleraardigste, oude man kwam zijn huis uit bij het hek en bevestigde mijn vermoeden. Hij stapte bij ons in de auto,  en leidde ons naar het vervallen buitenverblijf van de voormalige president, dat hij Tubman’s Palace noemde.

De entree van het buitenverblijf van president Tubman
Autoritaire president

President William Tubman was maar liefst 27 jaar aan de macht in Liberia. In 1944 werd hij op 48-jarige leeftijd tot president gekozen, waarna hij er in slaagde nog 6 keer herkozen te worden. In 1971 overleed hij in een  ziekenhuis in Londen. Tubman wordt nog steeds gezien als een groot president die er voor zorgde dat Liberia een voor Afrikaanse begrippen modern land werd. Hij introduceerde de ‘open deur’ politiek die het buitenlandse bedrijven makkelijk maakte om in Liberia grondstoffen te winnen, stond mede aan de wieg van de Afrikaanse Unie en voerde een sterk aan de VS gelieerde buitenlandse politiek. Maar hij was ook een autoritaire president, die het parlement als een stempelkussen voor zijn beleid beschouwde. En deelde de lakens uit in de True Whig Party,  de meerderheidpartij die vanaf 1878 (tot 1980) elke verkiezing won. Rond 1950 liet hij zijn buitenverblijf bouwen op zijn rubberplantage, waar hij in de weekenden vaak verbleef.

Deel van de voorkant van Tubman's Palace
Charles Taylor’s leeuwenpaar

De oude man die ons de buitenkant van het huis laat zien is John Alex Tubman, een neef van de president. Hij vertelt over de dierentuin die hier in de Jaren ’60 en ’70 was. Olifanten, zebra’s, reuzen schildpadden, hippo’s, apen en flamengo’s sierden, al dan niet gekooid, het bos rondom het huis op, dat voor iedereen toegankelijk was tegen betaling van een luttel bedrag. Hij vertelt over de vele voorname gasten die Tubman naar zijn buitenhuis mee nam, en over het leeuwenpaar dat voormalig president Charles Taylor hier vanaf 1998 hield. Taylor kreeg de leeuwen tijdens een staatsbezoek in Niger en genoot van het voeren van levende geiten die met smaak door hen werden verorberd. Toen Taylor in 2004 gedwongen werd vanwege zijn oorlogsmisdaden het land te verlaten, bleef het leeuwenpaar onbeheerd achter wat blijkens dit BBC-artikel tot taferelen leidde, waar de Partij voor de Dieren nu schriftelijke vragen over zou stellen.

Met John Alex Tubman voor het huis van zijn oom
Conferentieoord

John Tubman is overduidelijk begaan met het lot van het huis waar hij over waakt en waar hij iedere bezoeker met liefde over vertelt. De huidige president Ellen Johnson-Sirleaf stopt wel eens even als ze langs komt met haar konvooi om een praatje te maken. Er was een tijd dat VN-functionarissen in het Coocoo Nest logeerden, vergaderden en een bezoekje aan het huis brachten. 
Jazeker, er zijn plannen om het op te knappen. Tesamen met het café en het hotel, die tesamen ook wel Tubman’s Farm worden genoemd, zou het een prima conferentieoord annex uitspanning zijn, zoals er wel meer in Liberia zijn. Het gehele complex is nog steeds in handen van de Tubman-familie. Hij neemt ons mee naar zijn huis en laat ons geschenken zien die zijn oom-president bij staatsbezoeken ontving en die hij nu gebruikt, zoals stoeltjes die poten van hoorns hebben.





zondag 3 november 2013

Een reis dwars door Liberia


De afgelopen twee weken was ik ‘upcountry’, zoals dat zo mooi heeft. Wij organiseerden een driedaagse workshop in Harper, gelegen in het zuidoostelijke puntje van Liberia, praktisch op de grens met Ivoorkust. Er is geen kustweg in Liberia. De route van Monrovia naar Harper, beide liggen aan de Atlantische Oceaan, voert eerst noordoostwaarts, en ver landinwaarts, naar Ganta, om vervolgens zuidoostwaarts af te buigen via Zwedru naar Harper. Het is een tocht van circa 18-20 uur, waar wij drie dagen over deden. Tot Ganta (250 km) over een asfaltweg vol gaten. Maar de volgende 500 km uitsluitend over rode, veelal slecht begaanbare zandwegen, waar je zo eens per 10 minuten een tegenligger ontmoet. 


De route gaat praktisch uitsluitend door dicht bebladerd tropisch regenwoud. Af en toe passeer je een dorp. Het landschap is licht heuvelend, alleen de laatste dag, tussen Zwedru en Harper, wordt het terrein meer geaccidenteerd en ook meer open, zodat er zicht is op meer bergachtig landschap dat de grens met Ivoorkust vormt. Het is de enige begaanbare weg in het zuidoostelijke deel van Liberia. En dat betekent dat  de route tussen Ganta en Harper door een enorm regenwoud leidt dat zich aan weerszijden van de weg honderden kilometers uitstrekt.
Naast ondoordringbaar regenwoud passeer je af en toe een rijstveld, enkele rubberplantages en een gebied waar ijzererts wordt gewonnen. De tocht voert door zeven provincies (counties). Bij elke provinciegrens is een ‘roadblock’: een slap touwtje hangt over de weg. Een ambtenaar van het ministerie van Immigratie laat het vieren en trekt het weer omhoog. Bij één grenspost keer vroeg hij mij, de enige witte in de auto, om mijn paspoort, maar dat had ik niet bij me. Ik ging de landsgrens toch niet over? Met lichte tegenzin liet hij het touwtje zakken.


Wilde beesten zie je niet. Een enkele roofvogel zweeft over de bomen, maar slangen, olifanten of neushoorns houden zich schuil in het onmetelijke woud waar ze ruimte genoeg hebben. Evenals krokodillen die de talrijke rivieren bevolken die de route kruisen, op weg naar de Atlantische Oceaan. De enige beesten die je ziet zijn geiten, varkens en kippen die in en rond de dorpjes rondscharrelen, totdat ze in de pan belanden.
De dorpen bestaan uit huisjes en hutten. Elk dorp van enige omvang heeft een schooltje waar kinderen in uniformen op basale wijze leren lezen, schrijven en rekenen. Veel dorpen hebben openbare toiletten, aangeleverd door een of andere hulporganisatie, maar de meeste dorpsbewoners doen hun behoefte in de vrije natuur, evenals overigens de passanten. Soms is er een winkeltje waar de voorzienigheid voor sterke drank heeft gezorgd.

Zwarte magie in Zwedru

Soms zie je een opmerkelijk product van menselijke activiteit. Zo passeren wij in Tapeta het modernste ziekenhuis van het land, dat, van buitenaf gezien, in geen enkel ander land zou misstaan. Presidenten hebben ook hun stempel gedrukt op de plek waar ze vandaan komen. Zwedru is de meest verzorgde stad die we aandoen. Er zijn stoepen, een pleintje en de winkels en markstalletjes staan geordend langs de straat. Het is de hoofdplaats van de regio waar Samuel Doe vandaan komt, de jonge sergeant-majoor die in 1980 met een handvol collega’s de macht greep. President Tolbert en de meeste ministers werden vermoord. Doe vestigde een militaire dictatuur, werd in 1986 bij nep-verkiezingen tot president gekozen, maar zou in 1990 op zijn beurt in het zwaard vallen. In de tien jaar van zijn bewind sluisde hij veel geld naar Zwedru en benoemde stamgenoten op hoge posities. Hij liet een enorm groot, modern landhuis bouwen van ruw baksteen. 
Het onvoltooide landhuis van Samuel Doe in Zwedru
Het is nooit voltooid en ligt als een moderne ruïne in een verwilderde tuin. Ondergronds zouden drie verdiepingen liggen: een spookachtig labyrint. Veel Liberianen zijn bang voor het gebouw, waar zwarte magie zou heersen. Toen ik de verlaten tuin in liep om wat foto’s te maken, ging die gelukkig aan mij voorbij.
Harper, de eindbestemming van onze expeditie, is de stad van de Americo-Liberiaanse Tubmans, ooit een van de machtigste families van het land. William Tubman was president van 1944 tot zijn dood in 1971; hij werd zeven keer tot president herkozen en regeerde het land als een vorst. Zijn geboortestad Harper deelde in de voorspoed die Tubman tijdens zijn lange regeerperiode genereerde, die overigens vooral de Americo-Liberiaanse elite ten goede kwam. Het stadje stond bekend als het ‘Las Palmas’ van Liberia met hotels, chique huizen, geasfalteerde wegen, een elektriciteitsnet, goede scholen en een universiteit. Maar ook Harper moest tijdens de burgeroorlog een zware tol betalen en ligt er nu ontluisterd bij. De vergane glorie is nog goed zichtbaar en is onlangs nog op schrijnende wijze vastgelegd door de Nederlandse fotograaf/kunstenaar Martin Waalboer in het video/(E-)fotoboek ‘A Dream Called Harper’.

Vergane glorie in Harper

De burgemeester keek toe

In Harper organiseerde NDI een driedaagse workshop, speciaal voor de uit deze regio afkomstige Civil Society Organiation SEWODA. SEWODA, wat staat voor Southeastern Women Development Association, is een van de drie coalities van belangengroepen waar NDI nauw mee samenwerkt teneinde de kwaliteit van hun werk te verhogen. En dan met name hun activiteiten in de richting van het parlement. De sociale noden in Liberia zijn zo groot, en de inspanningen van het parlement om hier verbetering in aan te brengen zo bescheiden, dat versterking van de civil society alom als een belangrijke voorwaarde wordt gezien voor beter bestuur. En dus werkten de vijftig kaderleden van SEWODA een pittig programma door, waarin de functies en werkwijze van het Liberiaanse parlement, theorie en praktijk van lobbyen en actievoeren, mediastrategieën enz. uitgebreid werden besproken en in kleine groepjes uitgeprobeerd. De workshop vond plaats in een grote zaal van het stadhuis. 

De burgemeester van Harper (2de van rechts)
De (vrouwelijke) burgemeester van Harper was zo aardig de workshop met een kort praatje te openen en was vervolgens de volle drie dagen als toeschouwer aanwezig. Nu is het bekend dat in het sterk gecentraliseerde Liberia dorpen en stadjes nauwelijks een eigen budget hebben, maar dat ze zo weinig te doen had, verbaasde mij wel. Hoewel, ons programma was uiteraard reuze interessant…

Town Hall Meeting

De workshop werd afgesloten met een Town Hall Meeting, waarbij één van de twee senatoren van de provincie Maryland, waar Harper de hoofdstad van is, bij aanwezig was. Het houden van Town Hall Meetings is een van de weinige middelen die belangengroepen ter beschikking staan in deze uithoek van het land  om met een parlementariër in contact te komen en te beïnvloeden. In het geval van SEWODA betekent dat meer aandacht voor de positie van vrouwen: scholing, voorlichting, gezondheidszorg en actie tegen het veel voorkomende huiselijk geweld. Duidelijk was dat deze Town Hall Meetings sterke verbetering behoeven, want wat ik vreesde, zag ik ook gebeuren. Met een vlotte babbel, kwinkslagen en onweersproken beweringen wist de senator menig applausje binnen te halen. De aanwezigen bleken onvoldoende in staat te zijn om hun punt te maken en met argumenten en feiten de praatjes van de senator te weerleggen. Een goede voorbereiding van zo’n bijeenkomst zal dan ook in de nabije toekomst een van onze speerpunten zijn: wat heeft de parlementariër feitelijk voor initiatieven genomen, hoe heeft hij of zij gestemd, bereid een vraag goed voor, maar probeer ook een reactie op het te verwachten antwoord te hebben, loop niet naar je plaats terug als de vraag is gesteld, maar blijf bij de microfoon staan en meer van dit soort zaken.


De vervallen villa van president Tubman in Harper
Met enkele collega’s werden we voor de lunch uitgenodigd ten huizen van de superintendent, zeg maar de commissaris der koning, van de provincie Maryland, waar Harper de hoofdstad van is. Zij bleek in de verte familie te zijn van William Tubman en leek een krachtig bestuurder te zijn die, naar eigen zeggen, in de korte tijd die ze aan het bewind was, meer voor elkaar had gekregen dan haar voorgangster. De aanleg van wegen, scholen, klinieken en bruggen was nu eindelijk in gang gezet, zo kregen wij te horen tijdens de gebruikelijke Liberiaanse lunch van rijst, stoofvlees en -vis en gebakken banaan.

Losgeraakt achterwiel

De terugreis van Harper naar Monrovia nam geen drie, maar vier dagen in beslag. Op de eerste dag zagen we tot onze verbazing het achterwiel van de four-wheel-drive ons inhalen en in de bush verdwijnen… Bewoners van een naburig dorp kwamen met kapmessen gewapend ons te hulp en vonden na enig zoeken het losgeraakte wiel, de ijzeren plaat waarmee dat wiel aan de as was opgehangen en enkele bouten…  We waren op weg naar Zwedru, dat we gelukkig haalden, ondanks het feit dat het wiel met enkele dolgedraaide bouten was bevestigd. De volgende dag moest de auto worden gerepareerd, wat een dag oponthoud in Zwedru opleverde, maar dat was geen straf. Het Florida Guesthouse bood een goed onderkomen en we konden een wandeling door een buitenwijk van Zwedru maken: verspreid liggende huisjes in velden, zo ver als het oog strekte.